Over de val van satan

Overgenomen van onderstaande link

Inhoud

In een viervoudige val zal Satan zijn eindbestemming bereiken:

1ste val

2de val

3de val

4de val

Appendices (bijlagen):

1. Waar bevinden zich Satan en zijn engelen?

2. Engelen die zich in de tijd van Genesis 6 misdroegen

3. Soorten afvallige engelen

4. Hebben engelen wel een lichaam?

5. Kunnen de duivel en zijn engelen fysiek op aarde verschijnen?

6. Zijn engelen geslachtsloos?

7. Zijn alle engelen mannelijk?

1ste Val

Satan zondigde vóór de zondeval (Genesis 3). Vermits hij Adam en Eva wilde aftrekken van God, was hij reeds in een zondige toestand gekomen. De Bijbel noemt Satan de eerste zondaar:

1 Johannes 3:8 “Wie de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt vanaf het begin”.1

Dit betekende zijn eerste val, en deze bezegelde ook de loop van zijn verdere ondergang.

Deze val van Satan was eerder een “morele” dan een “geografische” val 2. Hij viel moreel van God af maar hij bleef toegang krijgen tot Gods troon en de engelen (Job 1:6; 2:1). Hij werd toen niet neergeslagen en verwijderd uit de hemel, maar bleef operatief in de “hemelse gewesten” (Efeziërs 2:2; 6:12). Hij kan daar nog steeds de broeders aanklagen (Openbaring 12:10). Alhoewel Satan daar in de hemel geen autoriteit heeft, heeft hij dat wel m.b.t. de aarde (Mattheüs 4:8-9; Efeziërs 2:2; 6:12; 1 Johannes 5:19). Openbaring te merken valt echter dat Satans macht door God wel gelimiteerd is, zoals we kunnen lezen in Job 1:12 en 2:6. Hij is niet gelijk aan God (1 Johannes 4:4).

Wat Satan niét verloor weten we nu ongeveer, maar wat hij bij zijn eerste val wèl verloor is zijn schoonheid, luister, wijsheid, en zijn positie van cherub. Hij verloor ook de capaciteit om op aarde in een lichaam te verschijnen. Misschien verloor hij door zijn val wel èlke materiële lichamelijkheid. Alleszins lezen we nergens in de Schrift dat Satan na zijn val ooit materieel-fysisch in een éigen lichaam op aarde is verschenen. Na de zondvloed zien we in de Bijbel ook geen fysische verschijningen van afvallige engelen. Getrouwe engelen kunnen dat echter wèl.

Over Satans eerste val wordt geschreven in Ezechiël 28 en Jesaja 14.

Ezechiël 28:11-19

11 Het woord van de HEERE kwam tot mij: 12 Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus, en zeg tegen hem: Zo zegt de Heere HEERE: U, toonbeeld van volkomenheid, vol wijsheid en volmaakt van schoonheid, 13 u was in Eden, de hof van God. Allerlei edelgesteente was uw sieraad: robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud. Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u. Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed. 14 U was een cherub die zijn vleugels beschermend uitspreidt. Daarvoor heb Ik u aangesteld. U was op Gods heilige berg, u wandelde te midden van vurige stenen. 15 Volmaakt was u in uw wegen, vanaf de dag dat u geschapen werd, totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd. 16 Door de overvloed van uw handel vulde men uw midden met geweld, en ging u zondigen. Daarom verbande Ik u van de berg van God, en deed Ik u verdwijnen, beschermende cherub, uit het midden van de vurige stenen. 17 Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig, u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister. Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen, opdat zij op u neer zouden zien. 18 Vanwege de overvloed van uw ongerechtigheden door uw oneerlijke handel ontheiligde u uw heiligdommen. Daarom deed Ik een vuur uit uw midden oplaaien, en dat verteerde u. Ik maakte u tot een hoop as op de grond voor de ogen van allen die naar u keken. 19 Allen onder de volken die u kennen, zijn ontzet over u. U bent een voorwerp van verschrikking geworden en u zult niet meer bestaan tot in eeuwigheid

Dit is het “klaaglied over de koning van Tyrus” (vs. 12). Deze passage is daarom eerstens een terugblik op de ondergang van de koning van Tyrus. Maar het is ook een blik op de eerste opstand en val van Satan, want deze zat als geestelijke macht àchter Tyrus. Zie als voorbeeld de engel in Daniël 10 die vocht met de demonenvorsten die achter Perzië en Griekenland stonden. Bovenstaande verzen in Ezechiël 28 kunnen in essentie op niemand anders dan Satan en zijn gevallen toestand betrekking hebben.

De eerste val van Satan vond plaats in de tijd van het aardse paradijs, in Eden, vóór de zondeval: Ezechiël 28:13.

Hier moet opgemerkt worden dat sommigen beweren dat die val plaatsvond op een paradijselijke aarde die miljoenen jaren eerder bestond, tussen Genesis 1:1 en 1:2 in, en die daarna met Satan ten onder is gegaan. Dit is overeenkomstig de zgn. ‘gap-theorie’ of ‘restitutieleer’. Dit is pure Bijbelinleg die alleen maar opgezet lijkt te zijn om de geologische kolom van de evolutionisten achterna te lopen, waarin gegoocheld wordt met ouderdommen van miljoenen jaren. Ezechiël 28:13 zegt dat Satan een cherub was in Eden, en dus is hij niet vóór die Edense tijd ten val gekomen. Eden is dezelfde hof als waar Adam en Eva verbleven, en wij kennen slechts de enige en unieke hof van Eden waarvan de Bijbel spreekt in Genesis 2:8, geen andere die vroeger zou bestaan hebben.

De passage van Ezechiël 28 toont de gevolgen voor Satan:

Hij was in Eden, overladen met prachtige opsmuk, maar daarna niet meer (28:13-16)

Hij was een beschuttende cherub, en is dat niet meer na zijn begane “onrecht” (28:14-16).

Hij werd verbannen uit de Edense heerlijke plaatsen (28:16).

Hij was luisterrijk getooid en uitermate schoon, maar verloor dit samen met zijn wijsheid (28:17, 18)

Hij werd ter aarde geworpen, een oosterse uitdrukking voor ‘hij viel op zijn bek’ (28:17). Later zal hij echter geheel letterlijk uit de hemel verwijderd worden (Openbaring 12:9). Zijn ondergang is sinds zijn eerste zonde eigenlijk al onomkeerbaar: het zaad (Jezus Christus) van de vrouw (Israël) zou hem uiteindelijk de kop vermorzelen (Genesis 3:15). Hij zal uiteindelijk in de “poel van vuur” belanden (Openbaring 20:10; Ezechiël 28:18, 19).

Na zijn val kon Satan zich blijkbaar niet meer materieel-lichamelijk 3 op aarde vertonen. Echter, om krachtig te kunnen zijn moet hij op aarde over een lichaam beschikken, en daarom bezet hij (en zijn demonen) graag het lichaam van andere levende wezens. Dit deed hij in Eden door in een slang te varen (Genesis 3), om zich zo aan Eva te vertonen en haar te misleiden. Later voer hij in Judas (Johannes 13:27) en nog later zal hij in de Antichrist varen.4

Jesaja 14:3-23

3 En het zal geschieden op de dag waarop de HEERE u rust zal geven van uw smart, uw onrust en de harde slavenarbeid die men u heeft doen verrichten, 4 dat u dit spotlied zult aanheffen op de koning van Babel, en u zult zeggen: Hoe houdt de onderdrukker op; opgehouden is de onderdrukking! 5 De HEERE heeft de stok van de goddelozen gebroken, de staf van de heersers, 6 die volken sloeg in verbolgenheid met slagen zonder ophouden, die in toorn over de heidenvolken heerste met een vervolging zonder inhouding. 7 Nu komt heel de aarde tot rust en stilte. Men breekt uit in gejuich. 8 Zelfs de cipressen verblijden zich over u. De ceders van de Libanon zeggen: Sinds u daar geveld ligt, klimt niemand omhoog om ons om te hakken. 9 Het rijk van de dood beneden raakte om u in beroering, om u tegemoet te gaan, wanneer u zou komen. Het schudt ter wille van u de gestorvenen wakker, al de leiders van de aarde. Het laat van hun tronen opstaan al de koningen van de volken. 10 Zij zullen allemaal het woord nemen en zeggen tegen u: Ook u bent nu zo zwak geworden als wij, u bent aan ons gelijk geworden! 11 Uw trots ligt neergeworpen in het graf, met de klank van uw luiten. Onder u is een bed van maden gespreid, en wormen zijn uw deken. 12 Hoe bent u uit de hemel gevallen, morgenster5, zoon van de dageraad! U ligt geveld op de aarde, overwinnaar over de heidenvolken! 13 En ú zei in uw hart: Ik zal opstijgen naar de hemel; tot boven Gods sterren zal ik mijn troon verheffen, ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde. 14 Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten, ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste. 15 Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort, in het diepst van de kuil! 16 Wie u zien, kijken u aan en letten op u: Is dit nu die man die de aarde deed sidderen, die koninkrijken deed beven, 17 die van de wereld een woestijn maakte, haar steden met de grond gelijkmaakte, zijn gevangenen niet losliet om naar huis te gaan? 18 Alle koningen van de heidenvolken, allen rusten zij in ere, ieder in zijn huis. 19 Maar ú bent weggeworpen, ver van uw graf, als een verafschuwde loot bedolven onder gedoden, die met het zwaard zijn doorstoken en neergedaald in een steengroeve; u bent als een lijk dat is vertrapt. 20 U zult in het graf niet met hen verenigd worden, want u hebt uw land te gronde gericht en uw volk gedood. Voor eeuwig zal niet meer genoemd worden het nageslacht van de kwaaddoeners. 21 Maak de slachtbank voor zijn kinderen gereed vanwege de ongerechtigheid van hun vaders, zodat zij niet meer opstaan, de aarde in bezit nemen en het wereldoppervlak vullen met steden. 22 Zo zal Ik tegen hen opstaan, spreekt de HEERE van de legermachten. Ik zal van Babel naam en overblijfsel uitroeien, zoon en kleinzoon, spreekt de HEERE. 23 Ik zal het maken tot een bezit voor nachtuilen en tot waterpoelen; Ik zal het wegvagen met de veger van het verderf, spreekt de HEERE van de legermachten.

Dit is het “spotlied op de koning van Babel” (14:4). Sterren (14:12) stellen in de Schrift dikwijls engelen voor : Job 38:7, Jesaja 14:2; vgl. 1 Koningen 22:19 “heir des hemels” met Deuteronomium 4:19; Jesaja 24:21-23.

De koning van Babel had zich tijdens zijn aardse leven een gewillig instrument van de Satan betoond; als er dan een oordeel over Babel uitgesproken wordt, dan ligt het voor de hand dat er ook van een oordeel over Satan melding wordt gemaakt.6 Deze passage is dan eerstens een toekomstprofetie voor Babel (14:4), maar tegelijk is het een blik op de val van Satan, in een breed perspectief, vanaf Eden tot aan zijn totale ondergang.

In Jesaja 14:12 wordt Satan “morgenster”5 genoemd. In Job 38:4, 7 lezen we dat bij de schepping “de morgensterren tezamen juichten”. Satan was vóór zijn val bij de schepping aanwezig. Maar hij pleegde opstand tegen Gods troon (14:13-14), waarbij hij ten val kwam. Later zal hij voor duizend jaren gebonden worden in de “afgrond” (14:15; Openbaring 20:1-3), en uiteindelijk zal hij in de poel van vuur geworpen worden (Openbaring 20:10).

Als gevolg van zijn opstand kwam Satan ten val. In Jesaja 14:12 wordt gezegd: “Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster”. Hij wordt vergeleken met een ster die uit de hemel is “gevallen”. Hij werd afvallig. Ook in de betekenis van: ‘hij viel op zijn bek’. Een vallende ster is in Openbaring iemand die uit zijn hoge positie afvalt of die uit zijn machtspositie omvergeworpen wordt. In Openbaring 12:9 wordt Satan volstrekt uit de hemel verwijderd, hij wordt neergeworpen na een felle strijd, en hem wordt dan èlke toegang tot àlle hemelen ontzegd. Dat zal zijn in de helft van de 70ste jaarweek of het begin van de eigenlijke Grote Verdrukking. De Heer Jezus heeft dit in Lukas 10:18 in een visioen gezien en aangekondigd: “Ik zag de Satan als een bliksem uit de hemel vallen”, zijn tweede val.

Als Paulus aan Timotheüs over de voorwaarden spreekt waaraan een opziener moet voldoen, zegt hij ons ook iets over Satans val:

1 Timotheüs 3:6 Hij mag geen pasbekeerde zijn, opdat hij niet verwaand wordt en daardoor onder het oordeel van de duivel valt”.

De oorzaak van Satans val was zijn hoogmoed. Dat komt overeen met wat staat geschreven in Ezechiël 28 en Jesaja 14.

2de Val

De tweede val van Satan is zijn volstrekte verbanning naar de aarde. Hij verdwijnt daardoor geheel uit alle hemelen, Openbaring 12:7-9:

7 Toen brak er oorlog uit in de hemel: Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak, ook de draak en zijn engelen voerden oorlog. 8 Maar zij waren niet sterk genoeg, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. 9 En de grote draak werd neergeworpen, namelijk de oude slang, die duivel en satan genoemd wordt, die de hele wereld misleidt. Hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.

Als engelen (in casu demonen) uit de hemelse sferen worden geworpen, betekent dit dat zij nog uitsluitend actief worden op de aarde en “in de lucht” errond (Efeziërs 2:2; Gr. aeros). Om kracht op aarde uit te oefenen zullen demonen in lichamen van levende wezens willen varen7 (bezetten).

Satan zal na zijn uitwerping uit de hemelse gewesten, onmiddellijk in de Antichrist varen. Zijn demonen zullen evenzo in de lichamen varen van de handlangers van de Antichrist en die van het herstelde Romeinse rijk. Hoe verschrikkelijk zullen deze duivelse machthebbers dan op aarde tekeer gaan!

Het is van belang om telkens op te merken hoeveel bewijzen er zijn dat de Gemeente vóór de Grote Verdrukking in de hemel zal zijn opgenomen. Zo ook hier. Als de duivel op de aarde geworpen is, kan de Gemeente niet meer beneden zijn, want dan zou het niet meer waar zijn dat wij een strijd hebben tegen de machten in de hemelse gewesten (Efeziërs 6:12).

3de Val

De derde val van Satan is zijn verbanning naar de “afgrond” (Gr. abyssos)8. Hij wordt daar voor duizend jaren gebonden en opgesloten, Openbaring 20:1-3:

1 En ik zag een engel neerdalen uit de hemel met de sleutel van de afgrond en een grote ketting in zijn hand. 2 En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, en bond hem voor duizend jaar, 3 en wierp hem in de afgrond [Gr. abyssos], en sloot hem daarin op en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet meer zou misleiden, totdat de duizend jaar tot een einde gekomen zouden zijn. En daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.

Uit de Abyssos zal hij nog wel even losgelaten worden, als de duizend jaren voleindigd zijn (Openbaring 20:7-9), maar dit resulteert zeer snel in zijn vierde val.

4de Val

De vierde val van Satan is zijn verwijdering naar de “poel van vuur” (Gr. limnen tou furos), om er voor eeuwig te verblijven, Openbaring 20:10:

10 En de duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid.

Dit is de allerlaagste positie en toestand die er bestaat, en die is onomkeerbaar.

Appendices

1. Waar bevinden zich Satan en zijn engelen?

Na zijn eerste val verkeert Satan (en zijn engelen) nog steeds in “het hemelse” (epouranios):

Efeziërs 6:12 “Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten [epouranios]9”.

Ook Christus bevindt Zich daar:

Efeziërs 1:20-21 “die Hij gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden opwekte en aan Zijn rechterhand zette in de hemelse gewesten

[epouranios]

, 21 ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en elke naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de komende”.

En positioneel de Gemeente die Christus’ Lichaam is:

Efeziërs 1:3 “Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten [epouranios] in Christus”.

Efeziërs 2:6 “en heeft ons met Hem opgewekt en met Hem in de hemelse gewesten [epouranios] gezet in Christus Jezus”.

Efeziërs 3:10 “opdat nu door de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten [epouranios] de veelvuldige wijsheid van God bekendgemaakt zou worden”.

Ook uit Job 1 en 2 weten we dat Satan nog steeds toegang heeft tot God, ergens in de hemel:

Job 1:6 “Het gebeurde op een dag, dat de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam” (zie ook 2:1).

Er is meer dan één hemel. Het Hebreeuwse woord voor ‘hemel’, sjamaim, is een meervoudsvorm. Paulus spreekt van de derde hemel (het “paradijs”), waarin “een mens” (waarschijnlijk hijzelf) werd opgetrokken (2 Korinthiërs 12:2-4). Volgens de Joodse overlevering zijn er zeven hemelen. Hoe dan ook: God komt ergens in de hemelen op bepaalde tijdstippen samen met het “ganse heir des hemels”, met goeden én slechten (zie: “aan rechter- en linkerhand”):

1 Koningen 22:19-23 “Verder zei Micha: Daarom, hoor het woord van de HEERE: Ik zag de HEERE op Zijn troon zitten, en heel het hemelse leger stond bij Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerzijde. 20 En de HEERE zei: Wie zal Achab misleiden, zodat hij zal optrekken en bij Ramoth in Gilead zal vallen in de strijd? De een nu zei dit, en de ander zei dat. 21 Toen trad er een geest naar voren en ging voor het aangezicht van de HEERE staan. Hij zei: Ík zal hem misleiden. En de HEERE zei tegen hem: Waarmee? 22 Hij zei: Ik zal eropuit gaan en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U mag misleiden, en u zult er ook toe in staat zijn. Vertrek en doe het zo. 23 Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van al deze profeten van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken”.

Hier heeft ook Satan nog steeds toegang. Hij kan daar nog steeds de broeders aanklagen (Openbaring 12:10).

Men moet onderscheid maken tussen de uitdrukking “het hemelse” [epouranios] en de “hemel der hemelen” (Deuteronomium 10:14; 1 Koningen 8:27; Psalm 148:4). In deze ‘opperhemel’ woont God in een voor mensen “ontoegankelijk licht” (1 Timotheüs 6:16) en wonen enkel zij die in een intieme omgang met Hem leven (Psalm 148:4). Dit is beslist niet de plaats waar Satan nog toegang heeft. De uitdrukking epouranios heeft vooral betrekking op het hemelse regeringsplatform en zij die daar deel van uitmaken (Efeziërs 1:20; 6:12). Vanuit die regerende “hemelse gewesten” gaat de invloed van Satan, als “de overste van de wereld” (Johannes 12:31; 14:30; 16:11), vooral uit naar de aardse atmosfeer, want hij is “de overste van de macht der lucht” (Gr. aeros: lucht; Efeziërs 2:2).

Op te merken valt dat Satans macht door God wel gelimiteerd is, zoals we kunnen lezen in Job 1:12 en 2:6. Hij is niet gelijk aan God (1 Johannes 4:4).

Satan woont beslist niet in de hel! Hoevele mensen hebben hierover een onbijbelse visie! Hoe dikwijls worden Satan en zijn demonen op schilderijen en tekeningen als hellemonsters afgebeeld, temidden van vuur, terwijl zij in feite en nog steeds hemelbewoners zijn!

2. Engelen die zich in de tijd van Genesis 6 misdroegen

In Genesis 6:1-4 lezen we van engelen die zondigden door zich aardse vrouwen te nemen, waardoor er een geslacht van reuzen10 werd voortgebracht. Dit was in de tijd vóór de zondvloed:

1 En het gebeurde, toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen en er dochters bij hen geboren werden, 2 dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden. 3 Toen zei de HEERE: Mijn Geest zal niet voor eeuwig met de mens twisten, omdat ook hij vlees is, maar zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn. 4 In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die kinderen voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam.

Deze engelen waren in staat zich vrouwen nemen omdat zij wel degelijk een lichaam hadden! Zij behoorden niet tot degenen die samen met Satan vóór Genesis 3 ten val kwamen en hun lichamen verloren hadden 11, of lichamelijk beperkt werden. De engelen uit Genesis 6 werden na hun zonde naar de “afgrond” (Gr. tartarus) verbannen (2 Petrus 2:4; Judas 6). Na de vloed zien wij in de Bijbel geen zondigende engelen meer verschijnen in mensengedaante, maar wel bezetenheid van mensen (en dieren) door de geesten van opstandige engelen (demonen). Enkel getrouwe engelen zien we daarna nog in fysiek-materiële gedaante verschijnen.

3. Soorten afvallige engelen

Sommige van de gevallen engelen  kunnen zich in zekere zin ‘vrij’ bewegen, terwijl andere ‘gebonden’ zijn.

1. De ‘gebonden’ engelen.

a) Engelen die vóór de vloed naar de aarde kwamen om zich vrouwen te nemen (zie Genesis 6:1-4), en daarna gestraft werden met opsluiting in de ‘afgrond’ (tartarus, een ander woord voor abyssos: 2 Petrus 2:4; Judas 6). Satan zal later ook gebonden worden, voor 1000 jaren in deze afgrond (abyssos, Openbaring 20:1-3).

b) Engelen waarvan we de antecedenten niet kennen maar die tijdelijk opgesloten zijn in de afgrond tot de zeventigste jaarweek (abyssos, Openbaring 9:1-11; Lukas 8:31).

2. De ‘vrije’ opstandige engelen. Deze noemen wij meestal “demonen” of “boze geesten”. Zij kozen eertijds de kant van Satan en stonden dus ook op tegen God. In de tijd van Jezus’ geboorte had Satan één derde van de hemelse engelen tot zijn beschikking (Openbaring 12:4). Zij bewegen zich allen in de hemelse gewesten (Job 1:7; Efeziërs 6:12) en in de aardse atmosfeer (Efeziërs 2:2). Hun ‘vrijheid’ duurt in onze dagen nog steeds voort.12

De engelen van de tweede categorie worden meestal “demonen” of “boze geesten” genoemd.

Benamingen en aanduidingen voor Satan en zijn demonen in het Nieuwe Testament

Griekse benaming (Textus Receptus)

Nederlandse vertaling

Voorkomend in

satanas

satan (= tegenstander, aanklager)

Lk 22:3

beelzeboul archonti tón daimonión

beëlzebul, de overste van de demonen

Mt 12:24

drakón megas purros

grote rode draak

Op 12:3

ho peirazón

de verzoeker

1Th 3:5

ho katègoros

de aanklager van de broeders

Op 12:10

pseustès kai ho patèr autou

leugenaar en de vader van de leugen

Jh 8:44

anthrópoktonos

mensenmoordenaar

Jh 8:44

ho kleptès

de dief

Jh 10:10

antikeimenó

de tegenpartij of tegenstander

1Tm 5:14

tou ponèrou

de boze

Mt 6:13

echthros

de vijand

Mt 13:39

ton ofin ton archaion

de oude slang

Op 20:2

ho ofis

de slang

2Ko 11:3

diabolos

de duivel (= lasteraar)

1Pt 5:8

diaboló kai tois aggelois

de duivel en zijn engelen

Mt 25:41

ho archón tou kosmou

de overste van deze wereld

Jh 12:31

ton archonta tès exousias tou aeros

de overste van de macht der lucht

Ef 2:2

pneumatos …en tois uiois tès apeitheias

de geest die werkt in de zonen der ongehoorzaamheid

Ef 2:2

tès exousias tou skotous

macht van de duisternis

Ko 1:13

ho theos tou aiónos

de god van deze eeuw

2Ko 4:4

aggelon fótos

engel des lichts

2Ko 11:14

león óruomenos

brullende leeuw

1Pt 5:8

belial

Belial

2Ko 6:15

beschuttende cherub

Ez 28:14, 16

de Leviathan, de snelle, kronkelende slang, de draak

Js 27:1

aggelos satan

engel van satan

2Ko 12:7

daimonion

demon

Mt 17:18

xenón daimonión

vreemde goden

Hd 17:18

pneumati

geest

1Jh 4:1

pneuma daimoniou akathartou

geest van een onreine demon

Lk 4:33

pneumata daimonón

geesten van demonen

Op 16:14

tas archas pros tas exousias pros tous kosmokratoras

de overheden, de machten, de wereldbeheersers

Ef 6:12

pneumatika tès ponèrias

geesten van de boosheid

Ef 6:12

pneumatón ponèrón

boze geesten

Lk 7:21

pneumasin planois

verleidende geesten

1Tm 4:1

pneuma tès planès

geest van dwaling

1Jh 4:6

pneumati akathartó

onreine geest

Mk 1:23

pneuma puthónos 

waarzeggende geest (= letterlijk ‘pythongeest’)

Hd 16:16

pneuma alalon

stomme geest

Mk 9:17

to pneuma to alalon kai kófon

stomme en dove geest

Mk 9:25

pneuma echousa astheneias

geest van ziekte (of ‘zwakheid’)

Lk 13:11

demonen: Hebreeuws: ‘harige bokken’ (Strong’s 8163)

Lv 17:7

Het woord ‘demon’ (Gr. daimonion) in zijn de context

1.    demonen = onreine geesten, zie Mk 5:1-18; Mk 7:25-30; Lk 4:33; Lk 9:42: pneumati akathartó zijn eigenlijk daimonia.

2.    demonen = boze geesten, zie Lk 8:2, 3: pneumatón ponèrón zijn eigenlijk daimonia.

3.    demonen = afgoden, idolen, zie 1Ko 10:19-21: eidólon zijn eigenlijk daimonión.

4.    demonen = goden, zie Hd 17:18, 22: vreemde goden = xenón daimonión; de goden bijzonder toegewijd = deisidaimonesterous.

Voor het gehele NT geldt:

demon(en)(isch) = daimon…

Zoekresultaat voor ‘daimon’ in de Textus Receptus (met aftrek van deze vernoemd onder punt 6):

Mt 7:22; 8:31; 9:33, 34(2x); 10:8; 11:18; 12:24(2x), 27, 28; 17:18; Mk 1:34(2x), 39; 3:15, 22(2x); 5:12; 6:13; 7:26, 29, 30; 9:38; 16:9, 17; Lk 4:33, 35, 41; 7:33; 8:2, 27, 29, 30, 33, 35, 38; 9:1, 42, 49; 10:17; 11:14(2x), 15(2x), 18, 19, 20; 13:32; Jh 7:20; 8:48, 49, 52; 10:20, 21; Hd 17:18, 22; 25:19; 1Ko 10:20(2x), 21(2x); 1Tm 4:1; Jk 2:19; 3:15; Op 9:20; 16:14; 18:2. (68 maal).

god(en) = daimonion: Hd 17:18, 22. (2 maal).

God = (ho) theos.

god(en) = theos: Jh 10:34, 35; Hd 7:40; 14:11, 15; 19:26; 28:6; 1Ko 8:5(2x); 2Ko 4:4; Gl 4:8. (11 maal).

godin = theas: Hd 19:27. (1 maal).

5.    godsdienst = demonenaanbidding (deisidaimonias): Hd 25:19.

Voor het gehele NT geldt:

godsdienst = deisidaimonias: Hd 25:19 (1 maal).

godsdienst,  religie, verering = thrèskeias: Hd 26:5; Ko 2:18,23; Jk 1:26(2x),27. (6 maal).

godsdienstig(e)(n) = sebomenón:  Hd 13:43, 50; 16:14; 17:4, 17; 18:7. (6 maal).

6.    bezeten(e)(n) = daimonizomenos (= iemand ‘die een (of meer) demon(en) heeft’)

Zoekresultaat voor ‘daimon’ in de Textus Receptus (met aftrek van deze vernoemd onder punt 4):

Mt 4:24; 8:16, 28, 33; 9:32; 12:22; 15:22; Mk 1:32; 5:15, 16, 18; Lk 8:36; Jh 10:21. (13 maal).

Satan heeft één derde van de engelen vóór de geboorte van de Messias meegesleurd om te trachten Hem te “verslinden”. Dat lezen we in Openbaring 12:4.:

Openbaring 12:1-5 “En er verscheen een groot teken in de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, en de maan was onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. 2 En zij was zwanger en schreeuwde het uit in barensnood en in haar pijn om te baren. 3 En er verscheen een ander teken in de hemel. En zie: een grote vuurrode draak met zeven koppen en tien horens. En op zijn koppen zeven diademen. 4 En zijn staart veegde het derde deel van de sterren van de hemel en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die op het punt stond te baren, om haar Kind te verslinden, zodra zij Het gebaard zou hebben. 5 En zij baarde een Zoon, een mannelijk Kind, dat alle heidenvolken zal hoeden met een ijzeren staf. En haar Kind werd weggerukt naar God en naar Zijn troon”.

Vlak vóór de geboorte van de Heer maakte de “draak”, (de duivel) zich op om de Messias reeds van bij zijn geboorte te “verslinden” (12:4). De vrouw Israël is immers hoogzwanger en schreeuwde in haar weeën (12:2). De draak zou dat niet alléén doen, maar sleepte daartoe “het derde deel van de sterren van de hemel” mee, namelijk “zijn” engelen (demonen). Het is à propos de draak (dit is Satan, vgl. Openbaring 20:2) die deze sterren werpt, terwijl in 12:9 Michaël en zijn engelen de Satan en zijn engelen neerwerpen: er is geen overeenkomst tussen 12:4 en 12:9 (hiertussen ligt het gehele Gemeentetijdperk). De duivel en zijn demonen hebben tot op de tijd van Openbaring 12:9 nog steeds toegang tot de hemelse gewesten (zie Efeziërs 6:12). De Satan “wierp” zijn engelen naar de aarde, ze “vielen” niet zoals in Daniël 8:10 door toedoen van een aardse macht. Er is geen parallel met Daniël 8:10. Satan heeft de macht zijn engelen te bevelen en te zenden. Vlak vóór de geboorte van onze Heer beval Satan zijn demonen Hem te verslinden. Hij gebruikt bij dat commando zijn ‘staart’, een symbool van de leugenprofeet in Jesaja 9:14. Reeds in Eden gebruikte de Satan de leugen om anderen te misleiden en zo te trachten Gods plannen te dwarsbomen – hij is immers “de vader van de leugen” (Johannes 8:44) – en vanaf de geboorte van de Heer Jezus heeft hij dat wapen gebruikt om iedereen tegen God en Zijn plannen op te zetten. Echter, dit liep uit op een overwinning van de Messias, doordat Hij opstond uit de doden. In plaats van Hem écht te kunnen “verslinden” (12:4) werd Hij “weggerukt naar God en naar zijn troon” (12:5).

Satan blijkt in Openbaring 12:4 een derde van de engelen ter beschikking te hebben voor zijn plannen. Bij zijn tweede val in Openbaring 12:9 lezen we andermaal dat hij vele engelen aan zijn kant heeft:

Openbaring 12:9 “En de grote draak werd neergeworpen, namelijk de oude slang, die duivel en satan genoemd wordt, die de hele wereld misleidt. Hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen”.

Hier zien we Satans tweede val. Tot dan verschijnt hij met al de zijnen in de hemelse gewesten, het regeringsgebied van de hemel. Zij zijn de duistere machten en overheden in de hemelse gewesten (Efeziërs 2:2; 6:12) die ook de broeders aanklagen (Openbaring 12:10). Zij hebben ook de vrijheid om in andere beschikbare lichamen te varen (Lukas 8:30-33) en daarmee mens en dier tot bezetenheid13 te drijven opdat zijn vuile plannen worden uitgevoerd.

4. Hebben engelen wel een lichaam?

Velen denken dat engelen geen lichaam hebben, omdat de Bijbel zegt dat het dienende “geesten” zijn (Hebreeën 1:14), en geesten hebben volgens hen geen lichaam. Engelen zijn inderdaad geesten, maar zij beschikken echter ook over een lichaam dat bij hun geestelijke natuur past, waarmee zij o.a. niet begrensd lijken te worden door onze aardse dimensies en materie.

Bij gevallen engelen (demonen) liggen de zaken anders. Zij kunnen zich niet materieel manifesteren. Voor mensenogen kunnen dezen zich enkel voordoen als een soort geest- of spookschijnsel. Deze geestverschijnselen kunnen op mensen gelijken, maar missen een feitelijke, tastbare materialiteit. Toen Jezus aan de discipelen verscheen meenden zij zo’n geest te zien, maar Jezus verzekerde hen dat dit niet zo was. Jezus was niet een geest zonder lichaam, want Hij had een lichaam van “vlees en beenderen”, waarmee Hij zelfs kon eten:

Lukas 24:36-43 “En toen zij over deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in hun midden en zei tegen hen: Vrede zij u. 37 En zij werden angstig en zeer bevreesd en dachten dat ze een geest zagen. 38 En Hij zei tegen hen: Waarom bent u in verwarring en waarom komen zulke overwegingen op in uw hart? 39 Zie Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het Zelf. Raak Mij aan en zie, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb. 40 En terwijl Hij dit zei, liet Hij hun de handen en de voeten zien. 41 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tegen hen: Hebt u hier iets te eten? 42 En zij gaven Hem een stuk van een gebakken vis en van een honingraat. 43 En Hij nam het aan en at het voor hun ogen op”.

In verband met de opstanding spreekt Paulus over de verschillende soorten lichamen die God gemaakt heeft:

1 Korinthiërs 15:38-51 “God echter geeft daaraan een lichaam zoals Hij heeft gewild, en aan elk van de zaden zijn eigen lichaam. 39 Alle vlees is niet hetzelfde vlees, want het vlees van mensen is verschillend, en het vlees van dieren is verschillend, en dat van vissen is verschillend, en dat van vogels is verschillend. 40 En er zijn hemelse lichamen en er zijn aardse lichamen, maar de heerlijkheid van de hemelse is verschillend, en die van de aardse is verschillend. 41 De glans van de zon is verschillend, en de glans van de maan is verschillend, en de glans van de sterren is verschillend, want de ene ster verschilt in glans van de andere ster. 42 Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in vergankelijkheid, het wordt opgewekt in onvergankelijkheid. 43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. 44 Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam. 45 Zo staat er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levend wezen, de laatste Adam tot een levendmakende Geest. 46 Het geestelijke is echter niet eerst, maar het natuurlijke en daarna komt het geestelijke. 47 De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk; de tweede mens is de Heere uit de hemel. 48 Zoals de stoffelijke is, zo zijn ook de stoffelijke mensen, en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelse mensen. 49 En zoals wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelse dragen. 50 Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed14 het Koninkrijk van God niet kunnen beërven, en de vergankelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet. 51 Zie, ik vertel u een geheimenis: Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden”.

Er bestaan dus hemelse lichamen voor hemelbewoners, met een aparte heerlijkheid. Engelen hebben dus blijkbaar ook een lichaam: een “geestelijk lichaam”, van een hogere natuur dan een aards lichaam. Als de engelen op aarde verschenen, kwamen ze meestal in mensengedaante (Daniël 10:18), waarbij het verschil met echte mensen niet opviel; zie Hebreeën:

Hebreeën 13:2 “Vergeet de gastvrijheid niet, want hierdoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onderdak verleend”.

Engelen hebben echter ook de capaciteit om in grote heerlijkheid te verschijnen, zodat ze glanzen, blinken, stralen, schitteren, als het helderste wit (Mattheüs 28:3; Lukas 24:4). In dat opzicht lijkt hun verschijning dan erg op het lichaam van de Heer Jezus bij de transfiguratie (Mattheüs 17:2; Markus 9:3; Lukas 9:28). Zij kunnen eveneens doorheen muren verschijnen en dan plots weer verdwijnen (Lukas 1:11-13; Handelingen 5:19-20; 12:7-10), net zoals Jezus’ opstandingslichaam (Johannes 20:19; Lukas 24:31, 36). Ook wij zullen in de opname of opstanding “veranderen tot gelijkvormigheid aan het lichaam van Zijn heerlijkheid” (Filippenzen 3:21) en een “geestelijk lichaam” ontvangen (1 Korinthiërs 15:44).

5. Kunnen de duivel en zijn engelen fysiek op aarde verschijnen?

Satan en zijn engelen verloren de capaciteit om op aarde in een materieel lichaam te verschijnen zoals engelen dat kunnen. We lezen nergens in de Schrift dat Satan ooit materieel-fysisch in een éigen lichaam op aarde is verschenen. Na de zondvloed zien we in de Bijbel ook geen materieel-fysische verschijningen van afvallige engelen. Door dit gebrek zijn zij op aarde in hun werkzaamheid geremd en trachten zij in een vreemd lichaam een woonst te zoeken. Vergelijk Mattheüs 12:43-45:

“Wanneer nu de onreine geest uit de mens weggegaan is, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet. 44 Dan zegt hij: Ik zal teruggaan naar mijn huis, waar ik uit weggegaan ben; en wanneer hij komt, vindt hij het leeg, geveegd en opgeruimd. 45 Dan gaat hij weg en neemt zeven andere geesten met zich mee, die meer verdorven zijn dan hijzelf, en wanneer zij naar binnen gegaan zijn, gaan zij daar wonen; en het einde van die mens wordt erger dan het begin. Zo zal het ook met dit verdorven geslacht zijn”.

Tegen het feit dat Satan en zijn engelen niet materieel op aarde kunnen verschijnen, brengen sommigen de volgende Schriftplaatsen in: Zacharia 3:1; Mattheüs 4:1-10 en diverse teksten uit Openbaring:

Zacharia 3:1: dit is echter een visioen of nachtgezicht, geen materiële tegenwoordigheid; zie verderop in Zacharia 4:1.

Mattheüs 4:1-10: waar staat dat Satan fysiek materialiseerde of zelfs dat hij zichtbaar werd voor menselijke zintuigen? Alles pleit voor een ‘geestelijke’ satanische aanwezigheid, of Satans verzoekende werkzaamheid in de geest van Jezus. Immers hoe is te verklaren dat de duivel Jezus meenam “… en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid”? Kan iemand op een Israëlitische berg “alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid” aanschouwen? Het kan toch niet anders dan dat de duivel deze dingen ‘in de geest’, als (droom)beeld of visioen aan Jezus toonde! Vergelijk dit met Openbaring 21:10.

Openbaring: de Satan is in werkelijkheid geen “draak”, “sprinkhaan” of eender welk monster. Dit zijn symbolische voorstellingen van een onderliggende werkelijkheid. De Heer gaf Zijn Openbaring in tekenen (Openbaring 1:1).

6. Zijn engelen geslachtsloos?

Wij kunnen niet zeggen dat de engelen geslachtsloos zijn. Daar staat niets van in de Bijbel. Hola, zullen sommigen zeggen, de Heer zei toch dat zowel engelen als degenen die door de opstanding in de hemel komen niet worden uitgehuwelijkt!:

Mattheüs 22:30 “Want in de opstanding nemen ze niet ten huwelijk en worden ze niet ten huwelijk gegeven, maar ze zijn als engelen van God in de hemel”.

Hier staat echter niet dat hemelingen, zoals engelen, geslachtsloos zijn! Er staat enkel dat zij niet huwen! Er staat evenmin ‘dat wij engelen zullen zijn’, zoals sommigen denken, maar “ALS engelen”: zoals zij niet huwen, zo wij evenmin.

Wat denkt u: is het opstandingslichaam van onze Heer geslachtsloos? Zullen wij geslachtsloos in de hemel verblijven? Dat kan je uit Mattheüs 22:30 en de rest van de Schrift beslist niet opmaken. Ik ben eerder geneigd te denken dat wij in de opstanding zullen blijven zoals we zijn, in onze mannelijkheid of vrouwelijkheid, en dat degenen die naar de hemel gaan hun persoonlijkheid niet zullen verliezen.

Waren de opstandige engelen van Genesis 6 geslachtsloos die zagen “dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen”? (Genesis 6:2). Wijst dit op geslachtsloosheid? Zie ook wat Judas (de halfbroer van Jezus) schrijft:

Judas 6-7 “En de engelen, die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij voor het oordeel op de grote dag met eeuwige boeien in de duisternis in verzekerde bewaring gesteld. 7 Evenzo is het met Sodom en Gomorra, en de steden eromheen, die op dezelfde wijze als zij hoererij bedreven15 hebben, en ander vlees achterna zijn gegaan. Zij liggen daar als een waarschuwend voorbeeld van het ondergaan van de straf van eeuwig vuur”.

Het minste wat je hierbij kan zeggen is dat engelen zich geslachtelijk kunnen manifesteren, al dan niet in de hemel, maar zeker wel op aarde.

Er staat ook dat zij “ander vlees” (vs. 7) achterna gingen. Dit bewijst dat zij een lichaam hebben van “vlees”, zoals ook het opstandingslichaam van de Heer Jezus van vlees was (Lukas 24:39). De uitdrukking “ander vlees” bewijst ook dat het vlees van aardse mensen “anders” is dan dat van engelen.

Dat deze engelen zondigden omdat zij “ander vlees achterna gingen” wil zeggen: zij hadden bij de gemeenschap moeten blijven zoals die in de hemel bestaat. De parallel wordt getrokken met Sodom en Gomorra: Engelen die gemeenschap hebben met aardse mensen zijn op vergelijkbare wijze zondig als praktiserende homoseksuelen. Zoals homoseksuele omgang 1° hoererij is en 2° onnatuurlijk, zo is ook de gemeenschap van engelen met mensen 1° hoererij en 2° onnatuurlijk, en God laat dit niet ongestraft.

7. Zijn alle engelen mannelijk?

Er zijn ook onderzoekers die menen dat alle engelen mannelijk zijn. Alle verwijzingen in de Bijbel naar engelen schijnen op te leveren dat die engelen mannelijk zijn of dat zij op aarde herkenbaar als mannen verschenen (zie Genesis 19:5). Maar zijn alle engelen in de hemel wel mannelijk? Dat lijkt me niet zeker. Wat dunkt u: hebben de (mannelijke) engelen uit Genesis 6 zich misdragen omdat er in de hemel geen vrouwelijke engelen zijn, óf hebben zij zich misdragen omdat zij “hoereerden” en tegennatuurlijk “ander vlees” achterna gegaan zijn, zoals Judas 6-7 leert? Als Judas zegt dat zij “hoereerden”, betekent dit dan niet dat zij iets ‘buitenechtelijks’ hebben gedaan ten aanzien van hun overeenkomstige bestaande relaties in de hemel? Is het aannemelijk dat er mannelijke engelen zijn, die zich kunnen voortplanten (alleszins op aarde), maar die in de hemel geen vrouwelijke partners beschikbaar hebben? Allemaal open vragen, die het niet vanzelfsprekend maken dat engelen altijd mannelijk zijn.

Laten we nu even aannemen dat alle engelen mannelijk zijn, betekent dit dan ook dat alle opgestane gelovigen mannelijk zullen zijn of worden? Ik ben eerder geneigd te denken dat wij in de opstanding blijven zoals we zijn, in onze mannelijkheid of vrouwelijkheid, en dat wij onze persoonlijkheid niet zullen verliezen als wij naar de hemel gaan.

Maar er is in de Schrift hierover geen volkomen duidelijkheid. Wat we wèl zeker weten is dat in de hemel niet getrouwd wordt, maar de Heer zei niét dat hemelingen geslachtsloos zijn, en Hij zei niét dat zij allen mannelijk zijn (Mattheüs 22:30). Wij weten dus nu goed wat de Heer zei, maar ook wat Hij niét zei, en daar houden we ons aan. Dat betekent verder dat we ons moeten hoeden voor alle gedachten en uitspraken die geen grond vinden in de Schrift. Wij moeten van aardse instellingen en gebruiken, niet zomaar denken dat die voor de hemel evenzo natuurlijk zijn. De hemel is niet een kopie van de aarde maar blijft voor ons een erg onbekend gegeven. De hemel is geheel anders.

Lees ook:

Zijn demonen gevallen engelen?: http://www.verhoevenmarc.be/PDF/demonen-engelen.pdf

Waar is Satan nu? Is hij in de hel?: http://www.verhoevenmarc.be/PDF/Waar_is_Satan_nu.pdf

De verwarring tussen dodenrijk en hel: http://www.verhoevenmarc.be/PDF/Verwarring.pdf

Rubriek “Duivel en demonen”: http://www.verhoevenmarc.be/#Duivel

De viervoudige val van Satan

De eerste val van Satan vond plaats in Eden, vóór de zondeval : Ezechiël 28:13 (zie 28:11-19). Niet tussen Genesis 1:1 en 1:2 !

De tweede val van Satan is zijn verbanning naar de aarde. Hij verdwijnt uit alle hemelen : Openbaring 12:7-9. Dit betekent dat hij nog uitsluitend actief is op de aarde en “in de lucht” errond (Efeziërs 2:2).

De derde val van Satan is zijn verbanning naar de “afgrond”. Hij wordt daar voor duizend jaren gebonden en opgesloten : Openbaring 20:1-3.

De vierde val van Satan is zijn verwijzing naar de “poel van vuur”, om er voor eeuwig te verblijven : Openbaring 20:10.verhoevenmarc@skynet.bewww.verhoevenmarc.bewww.verhoevenmarc.be/NieuwsteArtikelen.htm